Dwergen zijn eikels.

- .

Een schreeuw dus. Keihard. Donderslag bij heldere hemel. Ik loop op een middagje door het bos. Mooi weer, lekker stil. En opeens hoor ik die schreeuw. Heel kort maar, meteen was het weer weg. Ik begon zelfs te twijfelen of ik het wel echt gehoord had. Maar nee hoor. Kort daarna hoorde ik, in de verte, iemand heel zachtjes hijgen.

Ogenblikkelijk begon ik naderbij te sluipen. Dat is logisch. Ten eerste: je kunt met dit soort dingen niet voorzichtig genoeg zijn. Iemand schreeuwt en verder is er helemaal niemand. Dat kan gevaarlijk zijn. Ten tweede: waarschijnlijk is het iets met seks of geweld en in beide gevallen is het beter om er niet meteen bovenop te springen. Eerst even zien wat voor vlees je in de kuip hebt. Dat is verstandig.

Dus ik sluipen. Gebukt en zoveel mogelijk uit het zicht. Voorwaarts! Maar helaas, het was vals alarm. De fantasie was weer voor niets op hol geslagen.

Wat ik zag was het volgende. Midden in het bos was een open plek. Geen bomen, alleen gras. En het liep allemaal wat naar beneden, zo met het diepste punt in het midden. Een kuil, maar dan heel mooi en gelijkmatig. Een beetje als het bovenste deel van een trechter.

Het geluid kwam daarvandaan, vanuit het midden. Het diepste punt dus. Daar stond namelijk een hometrainer en op die hometrainer zat een dwerg. Onmiskenbaar, dat was een dwerg. Heel klein, lange baard, rode puntmuts, alles. Maar, en dat was het vreemde, hij had zo’n strak wielrenpakje aan. Ik ben vergeten van welke ploeg. En die dwerg was aan het fietsen. Zo hard hij kon! Hijgen, blazen, trappen... Maar ja, hij zat op een hometrainer. Vooruitkomen doe je niet.

Dit leek ongevaarlijk, dus ik eropaf. Kalmpjes wandel ik naar het midden en ga zo een beetje naast hem staan. Ik zeg: ‘Gaat’ie goed?’ Je moet je in dit soort gevallen een beetje van de domme houden. Dat is altijd het beste.

Maar niks hoor. Het menneke gaf geen krimp. Ging helemaal op in z’n gefiets. Hijgen, blazen, puffen, steunen... En, zag ik nu ik naast hem stond, hij was ook heel behoorlijk aan het zweten. Dus ik denk: het moet nog dommer. Ik buig me naar dat rode hoofdje toe en ik begin hem aan te moedigen. ‘Komop nou jongen! Je kan het! Het is niet ver meer, echt heel even nog!’ en meer van dat.

Wat denk je? Hij stopt acuut. Hij gaat rechtop zitten, hijgt een beetje na. Hij had flink z’n best gedaan en moest even herpakken. Maar toen draaide hij zich om en begon me enorm uit te foeteren.

Nou ja, wat ik wel niet dacht. Dat ik zeker dacht dat hij een idioot was en dat ik hem in de zeik nam, alleen maar omdat hij kleiner was dan gewone mensen. Je kent het wel.

Dus ik, bijdehand, ik zeg welnee man! Ik had nog niet eens gezien dat je een dwerg was. Ik let daar nooit zo op. Ik denk gewoon dat je gek bent omdat je midden in het bos, op een open plek, een beetje op een hometrainer gaat zitten fietsen. Bergop nog wel. Zo kom je toch nooit vooruit?

Nou, toen had je hem moeten horen hoor. Vooroordelen dit, beledigend dat. Ik kwam toch zeker ook in het bos voor m’n plezier? Hometrainen was toch een hele normale sport? Kortom, hij wist zeker dat het was omdat hij dwerg was.

Toen ben ik maar weggelopen. Zo’n discussie win je niet. Met dat soort mensen valt niet te praten. Hij had wel gelijk hoor, met dat van die dwerg. Maar je denkt toch zeker niet dat ik me door zo’n klein rotventje de les laat lezen?