Callcenter.

- .

Je ziet het niet direct, maar als je je ogen heel snel van links naar rechts beweegt, of als je een tijdje door je wimpers tuurt, dan zie je dat het licht een beetje trilt. Alsof het een nerveus zenuwtrekje heeft. Hoewel het behoorlijk fel is, lijkt het niet tot in de hoeken van de hal door te dringen. Aan de randen blijft het schemeren. In de nauwe ruimtes waar muren en vloer samenkomen, achter de strategisch opgestelde varens, lijkt er ook af en toe iets te bewegen, maar dat is gezichtsbedrog.

In het volle licht staan de bureaus, netjes in rijen opgesteld. Elk voorzien van een beeldscherm en een headset. Van die goedkope plastic dingetjes, die je oren snel irriteren. Soms al na een uur. Maar de man zit hier al veel langer dan een uur. Veel langer. Maar hij zou niet kunnen zeggen hoe lang.

Hij is hier altijd al geweest, lijkt het. Dat kan natuurlijk niet, maar hij kan zich niet herinneren wat er voor deze hal met bureaus was. Hij kan zich ook geen voorstelling maken van wat hierna zal komen. Er moeten ook andere ruimtes zijn, buiten, dat kan niet anders, maar hij weet niet hoe die eruit zien of hoe hij er zou moeten komen. Toch denkt hij niet hier te sterven.

Een fluittoon. Tijd voor actie. Een jonge vrouw spreekt tegen hem. Hij wacht geduldig tot ze uitgesproken is. Dan leest hij de tekst op zijn beeldscherm voor vanaf het begin, maar voor hij aan het eind van de eerste zin is, een begroeting, heeft ze de verbinding alweer verbroken. Direct fluit het systeem weer. Nu een mannenstem. Dit keer komt hij verder, maar nog lang niet ver genoeg. Er volgt nog een fluittoon. En nog een.

Op de schaarse momenten dat het systeem hem met rust laat probeert hij te luisteren naar de anderen. De zaal zit vol met anderen, allen keurig achter hun bureau, headset op, starend naar het eigen scherm. Geen ervan heeft hij ooit gesproken. Geen ervan kent hij bij naam. Hij vermoedt ook dat het telkens nieuwe anderen zijn, maar zeker weten doet hij het niet. Ze lijken op elkaar en specifieke kenmerken als tattoeages of littekens ziet hij nergens. Telkens als hij zich een gezicht in probeert te prenten fluit het systeem en is hij in een ogenblik alles kwijt. Wat overblijft is het achtergrondgeruis van geroezemoes en gemompel, altijd met een licht paniekerige ondertoon.

Het scherm flikkert, het systeem fluit. Er is nieuwe tekst. Hij voert een gesprek met een oude man over een ontbrekende bladzijde in een handleiding voor stofzuigers. Hij voert een ander gesprek, met dezelfde man, over het huren van blauwgrijze ski's in een Frans Alpendorp, twee maanden en drie dagen buiten het seizoen. Er volgen gesprekken, met andere stemmen, over wanbetalingen en over pasgeborenen, een enkele keer over een recent gepubliceerde wetenschappelijke studie. Soms gaat het ook over het weer. Telkens zodra hij begint te praten vergeet hij het voorgaande gesprek en gaat hij volledig op in het nieuwe, om vervolgens ook dat weer te laten vallen.

Weer een fluittoon, een lagere dit keer. Dat betekent pauze. Hoe hij dit weet zou hij niet kunnen zeggen.

Hij staat op en gaat. Hij loopt niet langs de bureaus, hij glijdt er voorbij, als in een droom. In zijn ooghoeken neemt het flakkeren van het licht toe. Af en toe meent hij opdrachten die aan hem gericht zijn op de beeldschermen te zien flitsen, maar ze verdwijnen telkens voor hij ze heeft kunnen lezen. Bij de gang aangekomen aarzelt hij. Links of rechts? Hij kiest voor links, maar komt na enige meters weer terug. De andere kant op. Maar na een tiental passen twijfelt hij weer.

Wat volgt is een eindeloze rij gangen, zalen en kamers, allen eender verlicht, allen met dezelfde inrichting en allen vol gemurmel. Soms passeren anderen hem, maar ze kijken hem niet aan. Vaag hoort hij in de verte het geratel van een mechanisch toetsenbord waar hard op getypt wordt. Het wordt sterker, ongeacht welke kant hij op loopt. Bij een gang die donkerder lijkt te zijn dan de rest houdt hij in. Onmiddelijk verdubbelt de intensiteit van het getik. Vlug loopt hij verder.

Na een tijdloos dwalen ziet hij een leeg bureau. Hij herkent het niet, maar wordt erdoor aangetrokken. Werktuigelijk gaat hij zitten. Het scherm flikkert. Een fluittoon klinkt. Een slecht te verstane stem aan de andere kant van de lijn ondervraagt hem over de achtergrond van de onbetrouwbare chauffeur. Zijn ogen zoeken het script, vinden het en hij begint te lezen.

‘[MEELEVEND] Goedendag, sorry dat ik u even heb laten wachten.’

Dit is mijn roeping, denkt hij ondertussen. Hij weet niet beter dan dit. Hij kan niet anders dan dit. Dan wordt de verbinding verbroken.