Wildernis.

- .

Even had hij het gevoeld, dat weidse gevoel van ongerept heidelandschap. Van wilde natuur, van helemaal alleen. Heel even, maar het was toch maar mooi gebeurd. Een open plek in de voortstormende massa van grijze wolken had de zon vrij spel gegeven en een warme gloed had zich over het parkje uitgestort. Gelegen tussen de al niet meer nieuwe wijken, temidden van een aantal groenpartijen, zorgvuldig bediscussieerd en gepositioneerd door een comite van stedenbouwkundigen, planners en architecten, dat had gezocht naar een optimaal gevarieerd landschapsscenario binnen de nauwe grenzen van de ruimte en het beschikbare budget, had het echt even een andere wereld geleken.

Het magische was, dacht hij, terwijl hij het schelpenpad afliep naar de rand van het grasveld, dat de eeuwig ruisende, altijd aanwezige snelweg even was stilgevallen, precies op dat ogenblik dat de zon even doorbrak.

Glimlachend bekeek hij de vrouw die over het schelpenpad uit de tegenoverliggende bossage kwam lopen. Luid knerpend duwde ze met de ene hand een kinderwagen voort. Met de andere sleepte ze ruw een onwillige kleuter met bemodderde gele laarsjes achter zich aan. Hij voelde de drang haar aan te spreken, maar onderdrukte die. Ze zou kunnen gillen.

Ze werd op een tiental meter afstand achtervolgd door een snuivende en stampende hardloper. Weer verderop, al diep tussen de bomen, stond een lange magere man in een regenjas gebiologeerd naar zijn aangelijnde hond te kijken. Het beest, een grijze bastaard met glad haar, kleiner dan een kat, hurkte trillend van opperste concentratie met zijn achterwerk tot vlak boven de grond. Langzaam, maar vastberaden, perste het grote klodders poep naar buiten.

Even was het er geweest. Die behoefte. Maar je kon nu eenmaal niet alle mensen tegelijk omhelzen. De meesten wilden dat trouwens ook helemaal niet. En eigenlijk had hij er zelf ook al geen zin meer in.

Resoluut stapte hij van het schelpenpad en liep naar een boom. De gebeurtenissen hadden voor een druk op zijn blaas gezorgd. ‘De leegte vult zich, vanzelf,’ zei hij zachtjes en floot een kort melodietje. Gedachtenloos knoopten zijn vingers zijn broek open. Een zucht ontsnapte. Een dikke straal klaterde.